Het leven van de Franse frontsoldaten

De soldaten zaten in de val tussen loopgraven en provisorische schuilplekken.

In deze wereld van verwoesting en dood werd de frontsoldaat geplaagd door:

  • Modder
  • Ongedierte (ratten, luizen...)
  • Dorst, honger, uitputting
  • Angst, verlies van moreel
  • De gewonden, de doden
  • De lucht, het lawaai
  • Dysenterie
  • Gifgassen

 

Getuigenis uit de brieven van de schilder Fernand Léger over het leven in de loopgraven

« Overal mensenresten. Die eerste tocht voerde mij naar het ravijn waar mijn peloton schuilplaatsen moest inrichten. Er was niets, helemaal niets aanwezig, we moesten alles zo snel mogelijk zelf in elkaar zetten om in elk geval onze proviand te beschermen. Ik koos een granaatkrater van gemiddelde afmeting. Ik zocht resten van planken bij elkaar en fabriceerde met behulp van mijn tentzeil mijn schuilplaats, waarin ik mijn zes dagen van 24 uur heb doorgebracht. Wat mij bezighield was aan de nabijheid van een of ander lijk te ontkomen. Ik had in mijn krater geen holte moeten uitgraven om mijn hoofd in te kunnen leggen. Ik ontblootte twee geschoeide voeten, het lijk van een Fransman (de moffen dragen uitsluitend laarzen). Toen heb ik het iets hoger geprobeerd. Geen beginnen aan. Overal mensenresten. In de krater naast de mijne zag ik zelfs een restant van een houten kruis met het opschrift « Kolonel ». Misschien waren het wel de voeten van de kolonel die hier beneden uitstaken. Ik zou het niet weten. Ik besloot met die twee voeten te leven. Uiteraard nam ik ze in gebruik: aan een van de twee die niet meegaf hing ik mijn heuptas op, iets wat hier trouwens veel voorkomt »

«  Je moet weten dat het geen kort reisje is om naar het dorp Fleury te trekken, maar ik ben blij dat ik het heb meegemaakt. Het is heel geleidelijk. Je belandt niet in één klap in de hel. Tot op drie kilometer van de frontlinies zijn nog restanten natuur te zien. En dat verdwijnt allemaal ongemerkt, totdat alleen nog de gewaarwording van leegte en stilte overblijft. Om zes uur ’s ochtends schiet de artillerie weinig. Het is een rustmoment. Dat vormde een volslagen contrast met twee dagen eerder. Ik was werkelijk in een woestenij waar niets levends mij omgaf. Ik wist dat het enige wat nog van Fleury resteerde een boompje was, een heel klein boompje, met rechts een zijtak die zich duidelijk aftekende achter het silhouet van het Fort Douaumont, met links het Fort Thiaumont. Dat was mijn enige oriëntatiepunt. Ik liep er recht op af, goed uitkijkend waar ik was en waar ik op liep. De mensenresten beginnen zich te vertonen zodra je het gebied waar nog een weg is verlaat. Ik zag buitensporig vreemde dingen. Bijna gemummificeerde hoofden van mannen staken omhoog uit de modder. Piepklein in die zee van aarde. Net kinderen. Vooral de handen waren opmerkelijk. Van sommige handen had ik wel een foto willen nemen. Die hebben zo’n zeggingskracht. Een aantal heeft vingers in de mond, de vingers zijn door de tanden afgehakt. Dat had ik op 13 juli in de bossen van Argonne ook al gezien: een vent die te veel lijdt vreet zijn vingers op. »

COMITÉ DE LA VOIE SACRÉE ET DE LA VOIE DE LA LIBERTÉ - 1 avenue du Corps Européen - 55100 Fleury-devant-Douaumont - Tél. 03 29 84 35 34 - Fax : 03 29 84 45 54
© 2017 .