De begraafplaatsen

In de gebieden waar de strijd heeft gewoed is het landschap bezaaid met begraafplaatsen. Ook al zijn talloze lichamen niet teruggevonden, er is voorzien in fatsoenlijke graven van enkele lagen diep. Vanaf het begin van de oorlog worden zware verliezen geleden.

De lijken blijven meestal onbeheerd achter op het terrein, waar granaten ze aan stukken rijten, zodat identificatie op een later tijdstip onmogelijk wordt. De zwaar gewonden die zich niet meer kunnen bewegen, wachten ter plaatse op de ziekendragers die hen ’s nachts komen halen, wanneer de artilleriebeschietingen en het vuren van de infanterie afnemen. De gewonden worden met ongehoorde inspanningen teruggebracht langs verwoeste loopgraven, dwars door een chaotische zone gepokt met kratergaten.

 

De begraafplaatsen bij eerstehulpposten

De van het slagveld teruggebrachte gewonden sterven in groten getale. De gezondheidsdienst zorgt vervolgens voor begraving in de buurt van de post. Deze kleine begraafplaatsen worden per dag groter, in het tempo van de sterfgevallen. Zo ontstaan tientallen kleine begraafplaatsen, zoals in Avocourt, in Esnes, bij Côte 304, in Chattancourt aan de voet van de Mort-Homme, in Bras, in het Bois Coutant.

De begraafplaatsen bij veldhospitalen

De gewonden die vanaf de eerstehulpposten worden afgevoerd, komen terecht in het achterland waar goed uitgeruste militaire hospitalen hen opvangen. Daar volgt een schifting door het medisch personeel, afhankelijk van de ernst en de urgentie van het geval, tussen ‘vervoerbare’ gewonden, bestemd voor transport per hospitaaltrein, en ‘onvervoerbare’ gewonden, die het zwaarst getroffen zijn. Deze laatsten, die onmiddellijk worden geopereerd en bedrust krijgen, genieten het voordeel van betrekkelijke rust op 10 à 15 kilometer afstand van het front. Betrekkelijk, want in de zomer van 1917 wordt het veldhospitaal van Vadelaincourt bijvoorbeeld door vliegtuigen gebombardeerd, waarbij een groot aantal gewonden, artsen en verpleegsters omkomt. Veldhospitalen zijn actief in Petit Monthairons, in Queue de Mala vlak bij Souhesmes, in Vadelaincourt, enz. In de buurt van deze inrichtingen bevinden zich militaire begraafplaatsen met goed onderhouden graven, waar de gewonden die tijdens hun ziekenhuisverblijf zijn overleden worden begraven.

De naoorlogse herinrichting

Vanaf 1920 gaan de burgerlijke stand van het 6e legerdistrict en de dienst teraardebestellingen over tot een hergroepering van de oorlogsgraven; ze kiezen enkele militaire begraafplaatsen uit, waar de lichamen uit andere, hierna buiten dienst gestelde oorlogskerkhoven worden herbegraven. Van de tientallen rond Verdun verspreide dodenakkers dienen maar enkele te resteren. De begraafplaatsen die zo in omvang toenemen en nationale necropolen worden, bevinden zich in Avocourt, Esnes, Chattancourt, Dombasle, Landrecourt, Senoncourt, Vadelaincourt, Ville-sur-Cousances, le Petit Monthairon, Fromeréville, Haudainville, Dugny, Belleray, Brocourt en Bras, en in Verdun zelf de begraafplaatsen Glorieux, Faubourg Pavé en Bevaux.

De opgegraven onbekenden uit Mouilly en Rupt-en-Woëvre worden in een van de ossuaria van Bras ondergebracht; de uit deze twee gemeenten en Grimaucourt-en-Woëvre afkomstige geïdentificeerde doden krijgen in Bras een individueel graf.Deze herinrichting loopt met tussenpozen door tot in de jaren dertig. Overigens moet worden opgemerkt dat de necropolen van 1952 tot 1961 nog 1.576 lichamen van militairen opnemen die in de periode 1939-1945 in de Meuse zijn ‘gevallen voor Frankrijk’, om te worden herbegraven in individuele graven: 602 in Faubourg Pavé, 485 in Bevaux, 151 in Bras, 135 in Dugny, 49 in Avocourt, enz.

In de jaren negentig vinden in Dugny, Belleray, Landrecourt, Bras, Souhesmes en Chattancourt belangrijke herstel- en renovatiewerkzaamheden plaats ; de andere zijn al in de periode 1960-1970 gerestaureerd. Deze staatsbegraafplaatsen bestaande uit eeuwige graven worden door het bovendepartementale bestuur van oud-strijders en oorlogsslachtoffers te Metz onderhouden.

De nationale necropool van Douaumont

Ingewijd op 23 juni 1929 in aanwezigheid van Gaston Doumergue, president van de Franse Republiek.

Begin 1923 bepaalde de dienst teraardebestellingen de ligging en werd een lap grond van enkele hectaren geëgaliseerd. Toen het terrein vlak was, ging men over tot de aanleg van lanen en graven.

In augustus 1925 werden de lichamen afkomstig van de kleine begraafplaatsen rondom Verdun overgebracht naar de rechtervleugel. In november ontving de necropool de opgegraven lichamen uit de dodenakker van Fleury, die buiten dienst werd gesteld.

In oktober 1926 nam Douamont de doden op van de begraafplaats van Fontaine de Tavannes. In de daaropvolgende jaren werden er de lichamen begraven die nog steeds in de ‘rode zone’ werden gevonden, oplopend tot 500 per maand, waarvan meer dan de helft werd geïdentificeerd. Douamont ontving ook de lichamen uit de dodenakker van Bois Coutant.

Na de Tweede Wereldoorlog, in 1949, werden de lichamen binnengebracht van de voormalige begraafplaats bij de artilleriepost la Batterie de l'Hôpital.

In de periode 1960 – 1965 onderging het uiterlijk van deze necropool aanzienlijke verbeteringen door een ingrijpende herinrichting en renovatie.

In 1984 wordt ter gelegenheid van de ontmoeting tussen François Mitterrand, de president van de Franse republiek, en de Duitse bondskanselier Helmut Kohl een gedenkplaat ingemetseld die symbool staat voor de verzoening tussen de twee landen.

Verdeeld over zestien van de necropolen is bij elkaar voorzien in 1781 islamitische graven, gerangschikt in vierkanten of in rijen. De grootste carrés zijn in Douaumont met 592 graven, in Bras met 254 graven in en Dugny, waar zich 201 moslimgraven bevinden. De graven hebben een zogeheten islamitische grafsteen met in het Arabisch de inscriptie ‘hier rust’, gevolgd door de naam van de overledene.

De Amerikaanse begraafplaatsen

De begraafplaats Meuse-Argonne in Romagne-sous-Monfaucon beslaat een oppervlakte van 250 hectare. Deze plek bevat een gedenkkapel en herbergt 14.246 graven. Het is in Europa de grootste Amerikaanse begraafplaats van de Eerste Wereldoorlog.

De begraafplaats Saint-Mihiel in Thiaucourt herbergt 4.152 graven.


De Duitse begraafplaatsen

Frankrijk heeft 192 Duitse begraafplaatsen van de Eerste Wereldoorlog, waarin bij elkaar 768.000 soldaten rusten. De belangrijkste in de Meuse zijn Consenvoye (11.148 graven), Dannevoux, Epinonville, Chéppy, Lissey, Peuviller, Damvillers, Mangiennes, Romagnes-sous-le -Côtes, Azannes (I en II), Amel, Hautecourt, Maizerais, Harville, Troyon, St Maurice, Viéville, St Mihiel en Rembercourt.


De begraafplaatsen van het Gemenebest

Hier rusten Engelsen, Canadezen, Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Indiërs en Zuid-Afrikanen.

De Oorlogsgravencommissie van het Gemenebest eert de nagedachtenis van de 575.000 soldaten die onder zijn vlag zijn gevallen, waarvan 218.000 zonder eigen graf. De graven zijn verdeeld over 3000 begraafplaatsen en 22 gedenkplaatsen. Enkele namen: Thiepval, Villers--Bretoneux, Ypres, Vimy.

 

Andere begraafplaatsen hebben Belgische, Poolse, Russische, Tsjechische, Italiaanse, Portugese en Deense frontsoldaten opgenomen...


COMITÉ DE LA VOIE SACRÉE ET DE LA VOIE DE LA LIBERTÉ - 1 avenue du Corps Européen - 55100 Fleury-devant-Douaumont - Tél. 03 29 84 35 34 - Fax : 03 29 84 45 54
© 2017 .